Kaderbrief 2024-2028

Financiële samenvatting

Deze kaderbrief stellen we op in een rustigere context dan eerdere kaderbrieven. De grote inflatiegolf 2021-2023 is geluwd en periode van rentestijgingen lijkt voor nu beëindigd. Het demissionair kabinet heeft in de Voorjaarsnota ruimte gemaakt om de effecten voor gemeenten van het 'ravijnjaar' in het Gemeentefonds iets te dempen. Ook heeft het kabinet ruimte gemaakt om gemeenten beter te compenseren voor de kostenontwikkeling op zorgtaken. Daarnaast zorgt een wijziging van de waarderingsgrondslag binnen de reserve afkoopsommen erfpacht voor aanvullende incidentele ruimte. Bovendien hebben we de afgelopen jaren voor een tamelijk behoedzame begrotingslijn gekozen, waarbij de opvatting over de beschikbaarstelling van nieuwe investeringskredieten is aangescherpt, er conservatief is geraamd op de ontwikkeling van Rijksmiddelen en spaarzaam is omgegaan met tussentijdse meevallers.

Dit alles maakt dat er bij deze kaderbrief ruimte ontstaat om de effecten van de inflatiegolf op meerdere budgetten en kredieten structureel op te vangen. Ook geeft dit de mogelijkheid om aanvullende tegenvallers op te vangen en in deze kaderbrief ruimte te maken voor enkele investeringsbeslissingen. Tegenvallers door gestegen kosten voor gemeentelijke watertaken en de inzameling van huishoudelijk afval vangen we op via de riool- en afvalstoffenheffing. Het uitgangspunt dat we deze kosten geheel dekken met de inkomsten blijft daarmee in stand.

Mede door de voorzichtige koers in voorbije begrotingen staat Leiden er financieel goed voor. Tegelijkertijd zien we nog steeds de nodige onzekerheden om ons heen. Grote investeringsambities gaan per definitie gepaard met onzekerheden en leiden tot een ruime financieringsbehoefte waardoor de Leidse begroting gevoelig blijft voor renteschommelingen. Daarnaast blijft de kostenontwikkeling binnen het sociaal domein een punt van aandacht en zijn voor gemeenten de precieze consequenties van het hoofdlijnenakkoord voor het nieuwe kabinet en de precieze ontwikkeling van het Gemeentefonds op lange termijn nog onzeker.

Ons college kiest ervoor om ruimte te maken voor de nodige nieuwe uitgaven uit het beleidsakkoord en het opvangen van tegenvallers. Tegelijkertijd blijven we sturen op een gezonde financiële positie. Dit doen we door bij te sturen op de tekorten binnen het sociaal domein en gelijktijdig de structurele behoedzaamheidsruimte te vergroten om het structurele risico op te kunnen vangen als deze bijsturing niet geheel lukt. Dit doen we ook door in alle jaren van het meerjarenbeeld een structureel sluitende begroting voor te leggen waarbij we in het laatste jaar ook al sparen voor de kapitaallasten van investeringen die buiten het meerjarenbeeld vallen.

In dit hoofdstuk lichten we eerst de context van deze kaderbrief toe. In paragraaf 2 verantwoorden we de financiële keuzes die we voorstellen en in paragraaf 3 laten we zien hoe de financiële positie van de gemeente er na deze keuzes naar verwachting uitziet.

1. Context en uitgangspositie


Economische context

De economische omstandigheden om ons heen hebben ook effect op deze kaderbrief. Hierbij zijn vooral de volgende ontwikkelingen van belang:

  • Na enkele jaren met een (zeer) hoge inflatie en een korte periode van economische stilstand, is de economie in rustiger vaarwater gekomen. De gestegen prijzen (uit het verleden) werken wel nog door in de looneisen. Over het geheel genomen verwacht het Centraal Economisch Planbureau in zijn recent Centraal Economisch Plan 2024 dat de inflatie voor consumenten in 2024 uitkomt op 2,9% en in 2025 op 2,8%. Bij de Kaderbrief 2023-2027 is een groot aantal gemeentelijke budgetten gecompenseerd voor de hoge inflatie om deze waardevast te houden. In deze Kaderbrief 2024-2028 voeren we op meerdere budgetten alsnog een ‘koopkrachtreparatie’ uit zodat de begroting voldoende waardevast blijft.
  • De rente op langlopende geldleningen is voor de gemeente Leiden op dit moment 3,2%. De inflatie ontwikkelt zich inmiddels richting de 2%-doelstelling die de Europese Centrale Bank (ECB) nastreeft. Meerdere ECB-bestuurders hebben gehint op een mogelijke verlaging van de beleidsrente in juni, maar benadrukken ook dat door de nog steeds vrij hoge loonontwikkeling verdere verlaging vooralsnog onzeker is. De renteverlagingen door de ECB zullen vooral effect hebben op de tarieven voor kortlopende geldleningen. Hiermee is het niet reëel om nu al vooruit te lopen op dalende rentes op de financiering van de gemeente, die vooral bestaat uit langlopende geldleningen.
  • De krapte op de arbeidsmarkt blijft groot. Niet alleen voor gemeente Leiden, maar ook voor gesubsidieerde partners, bouwers en leveranciers blijft het vinden van het juiste personeel ook de komende jaren nog een uitdaging.
  • Daarnaast vormen het stikstofvraagstuk en de drukte op het elektriciteitsnet een uitdaging voor toekomstige ontwikkelactiviteiten in de stad.

Kabinetsbeleid Gemeentefonds

Het demissionair kabinet heeft in de Voorjaarsnota 2024 een akkoord met de Vereniging Nederlandse Gemeenten verwerkt over de verdere ontwikkeling van het Gemeentefonds. Onderdeel hiervan is het schrappen van de opschalingskorting. Met de VNG heeft het kabinet afgesproken dat gemeenten in 2025 eenmalig dit bedrag gekort krijgen in het Gemeentefonds. Daarnaast reserveert het kabinet vanaf 2026 een oplopend bedrag op de rijksbegroting om gemeenten te compenseren voor de kostenstijging Wmo. Zie voor verdere analyse het hoofdstuk Ontwikkeling algemene uitkering Gemeentefonds.

Financiële uitgangspositie voor deze kaderbrief

Met de SWOT-analyse geven we inzicht in de belangrijkste sterke en zwakke aspecten van onze begroting en de kansen en bedreigingen in onze omgeving die van invloed zijn om op lange termijn baten en lasten in evenwicht te houden.

 

Voordelig

Nadelig

Intern

Sterkte
a. Programmabegroting 2024-2027 geeft een structureel sluitend meerjarenbeeld;
b. Behoedzame lijn ten aanzien van omvang Algemene uitkering uit het Gemeentefonds;
c. Weerstandsvermogen is op orde.
d. Behoudende raming cashflow investeringen.
e. Structureel behoedzaamheidsbudget
f. Reservering structurele begrotingsruimte voor kapitaallasten na 2027;

Zwakte
g. Groei naar een hoge schuldpositie: begroting is gevoelig voor renteontwikkeling.
h. Impact loon- en prijsontwikkeling op kostenramingen voor een deel nog onzeker.
i. Openstaande taakstelling(en) sociaal domein.
j. Relatief hoge OZB (m.n. niet-woningen) en kostendekkende riool- en afvalstoffenheffing.

Extern

Kans
k. Hoofdlijnenakkoord nieuwe coalitie
l. Inflatie is teruggelopen: risico verdere rentestijging is afgenomen.
m. Hervormingsagenda Jeugd i.r.t. invulling taakstelling.

Bedreiging
n. Hoofdlijnenakkoord nieuwe coalitie
o. Op peil blijven van woningbouw (m.n. door rente en stikstofproblematiek).

De Programmabegroting 2024-2027 was in alle jaren structureel sluitend (a.). Dat betekent dat de geraamde budgetten die jaarlijks terugkomen gedekt worden door baten die jaarlijks terugkomen. Aan de inkomstenkant zijn we in de Programmabegroting 2024 op de Algemene uitkering niet vooruitgelopen op eventuele reparaties van het ravijnjaar of opschalingskorting (b). Aan de uitgavenkant zijn sommige uitgaven behoudend of juist optimistisch geraamd:

  • In de Programmabegroting 2024-2027 staat een structureel behoedzaamheidsbudget dat oploopt tot 2,7 miljoen in 2027 (e.). Hiervan wordt 1,1 miljoen beschouwd als tegenhanger van de openstaande taakstelling van 1,1 miljoen binnen het sociaal domein (h.).
  • De investeringsambities uit het Meerjaren Investeringsplan zijn allemaal structureel gedekt met een beperkte afslag voor planningsoptimisme (d.). In 2027 is aanvullend 4,5 miljoen aan structurele ruimte gelabeld voor de kapitaallasten van investeringsambities die starten binnen het Meerjaren Investeringsplan 2024-2027, maar waarvan de kapitaallasten pas in latere jaren komen (f.). Bij het toevoegen van de jaarschijf 2028 aan de begroting is deze ruimte beschikbaar. Door de investeringsplanning groeit Leiden naar een relatief grote financieringsbehoefte die onze begroting op termijn relatief kwetsbaar maakt voor renteontwikkeling (g.).
  • In de budgetten voor Jeugdhulp staat in de Programmabegroting 2024 een bezuiniging van 1,6 miljoen verwerkt. Deze staat niet als ‘taakstelling’ ingeboekt, maar als kostendaling. Aanvullend staat een taakstelling open van 1,1 miljoen voor het sociaal domein als geheel (i.). Bij de Kaderbrief 2023-2027 is besloten om de verder openstaande taakstelling van 2,3 mln. bij deze kaderbrief in te vullen.
  • Op diverse beleidsterreinen is in afgelopen jaren een gat ontstaan tussen de jaarlijks geïndexeerde budgetten en de hoge loon- en prijsontwikkeling. Dit is bij de vorige kaderbrief voor een groot deel gecorrigeerd, maar niet voor de begroting als geheel. Hierdoor zijn sommige beschikbare budgetten ontoereikend om het oorspronkelijk beoogde ambitieniveau te realiseren. Deze kaderbrief heeft meerdere voorstellen om dit te repareren.
  • De geraamde inkomsten uit het Gemeentefonds zijn gebaseerd op de toekomstige groei van de stad (zie ook het hoofdstuk areaalontwikkeling). Als woningbouw achterblijft, leidt dit tot een tegenvaller in de algemene uitkering (o.). Bij de eigen inkomsten is de ruimte beperkt om structurele tegenvallers op te vangen met lastenverzwaring. Dit komt door de relatief hoge onroerendzaakbelastingen en kostendekkende afvalstoffen- en rioolheffingen.

Het hoofdlijnenakkoord van de nieuwe coalitie is nog met de nodige onzekerheden omgeven. We hopen dat er richting de begroting op onderdelen meer duidelijkheid komt over de consequenties voor gemeenten.

2. Financiële beleidskeuzes

De behoedzame lijn uit de vorige kaderbrieven en begrotingen maakt dat bij deze kaderbrief financiële ruimte ontstaat om de effecten van de loon- en prijsontwikkeling op de gemeentelijke budgetten op te vangen en te investeren in de stad. Deze kaderbrief bevat de onderstaande financiële ontwikkelingen en keuzes ten opzichte van de Programmabegroting 2024:

(in 1.000, - = voordeel)

L/B

2024

2025

2026

2027

2028

1. Autonoom

B

-1.506

4.479

-5.589

-8.712

-13.483

2. Budgetneutraal

L

1.202

4.571

1.018

994

976

B

-1.202

-4.571

-1.018

-994

-976

Saldo

0

0

0

0

0

3. Mee- / tegenvaller

L

5.631

8.343

5.256

6.702

11.995

B

-6.613

-5.534

-7.795

-3.549

-4.720

Saldo

-982

2.809

-2.538

3.153

7.274

4. Nieuwe uitgave

L

879

3.862

2.713

4.292

4.276

B

-125

-588

-911

-1.119

-1.436

Saldo

754

3.274

1.802

3.173

2.840

5. Bijsturing

L

-1.407

-1.642

14.608

-799

-1.849

B

737

862

449

-1.438

-1.438

Saldo

-670

-780

15.058

-2.237

-3.287

Totaal

-2.404

9.782

8.733

-4.622

-6.655

  1. Onder de autonome ontwikkelingen staan de hogere inkomsten uit het Gemeentefonds. Dit leidt in 2024 en vanaf 2026 tot hogere baten. In 2025 is sprake van een eenmalig nadeel door de afspraken vanuit de Voorjaarsnota over de eenmalige uitname uit het Gemeentefonds. Zie ook hoofdstuk ontwikkeling algemene uitkering Gemeentefonds.
  2. Op een aantal budgetten worden budgetneutrale wijzigingen doorgevoerd. Dit betreft de herschikking van beschikbaar budget of de inzet van voor een specifiek doel gelabelde middelen of inkomsten. De wijzigingen staan per programma toegelicht.
  3. In deze kaderbrief treden op de uitgaven per saldo tegenvallers op die oplopen van € 5,6 miljoen in 2024 tot € 12,0 miljoen in 2028. Deze hogere lasten komen voor een groot deel voor uit benodigde compensatie voor loon en prijsontwikkeling. Waar deze tegenvallers toegerekend kunnen worden aan de afvalstoffenheffing- of rioolheffing worden deze gecompenseerd door hogere baten (zie voor het verwachte effect op tarieven ook hoofdstuk loon, prijs en ontwikkeling lokale heffingen). De tegenvallers binnen het financiële hek rond het sociaal domein worden in de periode 2024-2026 opgevangen vanuit de reserve sociaal domein. Daarnaast zijn er enkele 'losse' meevallers op de baten zoals hogere reclame-inkomsten.
    De belangrijkste meevaller op de lasten komt voort uit de actualisatie van de kasstromen binnen de investeringsplanning. Dit geeft vooral in de jaren 2026-2028 een vrijval van kapitaallasten van jaarlijks ongeveer € 5 miljoen. De grootste mee- en tegenvallers voor het beeld in 2028 zijn verder de ontwikkeling van kosten van de Jeugdhulp (5,4 miljoen structureel nadelig), hogere energiekosten (€ 1,8 miljoen), hogere financieringslasten (€ 1,4 miljoen) inhaalindexering van het meerjaren investeringsplan en lopende wijkvernieuwing (1,5 miljoen) en de meevaller op de OZB van 2,1 miljoen als gevolg van een groter aan te slaan areaal. Daarnaast reserveert het college in 2025 incidenteel een bedrag van € 3,2 miljoen voor toekomstige vervangingsinvesteringen in de stadsschouwburg en stadsgehoorzaal.
  4. In deze kaderbrief stelt het college voor om financiële ruimte te maken voor een aantal investeringsbeslissingen. Hierbij gaat het om meerdere schoolgebouwen uit het IHP, de bibliotheek aan de Nieuwstraat, de herinrichting van de Lammenschansweg en de Groene Loper stationsplein - stationsweg. Deze laatste twee investeringen worden gedeeltelijk gedekt uit de ruimte die vanuit de reserve afkoopsommen erfpacht vrijvalt voor duurzame verstedelijking (zie ook de toelichting in het hoofdstuk Ontwikkeling kapitaallasten, schuldquote en reserve afkoopsommen erfpacht). Naast deze investeringsbeslissingen stelt het college ook voor om een bedrag oplopend tot structureel 1,3 miljoen uit te trekken voor het introduceren van de Leidse Sleutelpas. Deze kosten moeten vanaf 2029 worden gedekt met de opbrengsten van de Sleutelpas. Tot slot worden de kredieten voor de warmtetransitie in de begroting verwerkt. Op het programma is deze aanpassing budgetneutraal, maar in het financieringsresultaat heeft dit wel een effect. Door deze aanpassing staan de budgetten goed in de begroting voor eventuele besluitvorming aan het eind van 2024.
  5. In deze kaderbrief wordt 2,3 miljoen van de bestaande taakstelling sociaal domein ingevuld, voornamelijk uit extra inkomsten en de inzet van onderuitputting. Na inzet van de reserve sociaal domein om de tekorten binnen het hek op te vangen tot en met 2026, komt vanaf 2027 binnen het hek een aanvullende opgave van 4,2 miljoen in beeld. Hierbij is de loon- en prijsontwikkeling van structureel 1,9 miljoen opgevangen uit de algemene middelen.
    Dit extra structurele tekort binnen het hek is het gevolg van kostenontwikkeling binnen de specialistische jeugdhulp. Deze tegenvaller is niet volledig autonoom. Wij zijn van mening dat door beleidskeuzes de beschikbare middelen voor jeugdhulp doelmatiger kunnen worden ingezet. Zo worden jongeren beter geholpen en komen middelen terecht daar waar ze ook echt nodig zijn. Regionaal is er een Taskforce opgericht die hierop stuurt en voorstellen voor uitwerkt. Ook de landelijke acties rond de Hervormingsagenda Jeugd moeten hieraan bijdragen. Tot en met 2026 vangen we de tegenvallers volledig op. Zo is er voldoende tijd om hervorming voor te bereiden. Vanaf 2027 willen we de nieuwe extra taakstelling van 4,2 miljoen met maatregelen gaan invullen. Als structurele buffer verhogen we hiertegenover de behoedzaamheidsruimte met uiteindelijk 2,1 miljoen vanaf 2028. Zo bouwen we een prikkel in om daadwerkelijk hervormingen en een doelmatiger en rechtvaardiger beleid door te voeren, waarbij we tegelijkertijd een flinke buffer aanhouden om in het hervormingentraject eventuele tegenvallers structureel op te vangen.
    Het behoedzaamheidsbudget dat we los van de openstaande taakstelling sociaal domein in de begroting 2024 hadden staan (oplopend tot € 1,6 miljoen vanaf 2027) laten we in 2024-2026 geheel en vanaf 2027 voor € 774.000 vrijvallen gezien afgenomen risico's. Wel handhaven we vanaf 2027 een ruimte van € 800.000 structureel vanwege de structurele onzekerheden rondom bijvoorbeeld het komend kabinetsbeleid, renteontwikkeling, taken op het gebied van energie de stations-ontwikkeling Leiden Centraal, voortgang van de woningbouw (i.r.t. de Algemene uitkering) en andere hiervoor beschreven kwetsbaarheden.
    In de verschillende jaren van de meerjarenbegroting ontstaat behoorlijke incidentele ruimte. We zetten € 16,5 miljoen via de reserve afschrijvingen investeringen in om het structurele beeld vanaf 2026 met € 412.500 te verbeteren. Hiermee blijven alle jaarschijven van de meerjarenbegroting structureel sluitend.

Bij de voorbereiding voor deze kaderbrief heeft ons college aandacht gehad voor het effect van onze beleidskeuzes op de werkdruk in de organisatie. Dit heeft een rol gespeeld bij het al dan niet opnemen van voorstellen voor nieuwe investeringen en ambities: het college is kritisch geweest op het toevoegen van nieuwe ambities en als daar al sprake van is, is goed gekeken of het voor de organisatie uitvoerbaar is. Daarnaast zijn nieuwe investeringen veelal gekoppeld aan projecten waaraan al werd gewerkt. Ook doen we op enkele beleidsvelden voorstellen om beschikbare capaciteit te vergroten zodat deze in lijn is met opgaven.

De individuele aanmeldingen staan in de volgende hoofdstukken per programma toegelicht. Hieronder gaan we nader in op de overkoepelende financiële beleidsafwegingen bij deze kaderbrief.

Hoe gaan we om met de effecten van de inflatiegolf 2021-2023?

Hoewel de inflatie weer is afgenomen, blijkt bij deze kaderbrief dat de loon- en prijsontwikkeling uit de recente jaren meerdere budgetten onder druk zet. Na de grote koopkrachtreparatie in de Kaderbrief 2023-2027, stellen we bij deze kaderbrief meerdere correcties voor. De belangrijkste zijn:

  • De energielasten zijn gedaald, maar zijn nog steeds ongeveer 50% hoger dan voor de energiecrisis. De aannames van een daling bij de begroting 2024 lijken hiermee te optimistisch te zijn geweest. Bij deze kaderbrief stellen we voor om het budget voor energielasten structureel met 1,8 miljoen te verhogen. Daarmee corrigeren we de eerdere aannames en verwachten we de structurele component van de hogere energielasten ook structureel op te kunnen vangen.
  • In de afgelopen jaren zijn de kosten binnen de grond-, weg- en waterbouwsector fors toegenomen. Ten opzichte van de indexering in de gemeentelijke begroting is hierdoor een koopkrachtverlies opgetreden van 24,2%. Bij diverse projecten blijken de originele ramingen niet meer actueel om de onderliggende ambities te realiseren. In de Kaderbrief 2023-2027 was een aantal projecten al voor deze ontwikkeling gecompenseerd. In deze kaderbrief stellen we voor om voor het nog niet-gecompenseerde deel van het meerjaren investeringsplan en de lopende wijkvernieuwingen alsnog deze compensatie uit te voeren. De kapitaallasten nemen hierdoor toe met 1,5 miljoen in 2028. Waar mogelijk wordt deze tegenvaller verwerkt in de riool- en waterzorgheffing. Het effect hiervan op de tarieven is toegelicht in het hoofdstuk loon, prijs en ontwikkeling lokale heffingen.
  • Bij het beheer van de stad treden door prijsontwikkeling meerdere tegenvallers op bij onder meer het project voor de nieuwe gemeentewerf, de exploitatie van het wagenpark (deels) en groenonderhoud. Waar mogelijk worden ook hier deze kostenstijgingen doorberekend in de riool- en afvalstoffenheffing.
  • Voor het sociaal domein hanteren we net als bij de Kaderbrief 2023-2027 het uitgangspunt dat tegenvallers door de loon- en prijsontwikkeling vanuit de algemene middelen worden opgevangen. Hieruit vindt immers ook dekking van de jaarlijkse indexering plaats.
  • Op diverse andere budgetten (onder meer huur van Stadskantoor, beveiligingskosten) worden ook de hogere prijzen in de begroting verwerkt.

Hoe gaan we in de toekomst om met het waardevast houden van de begroting?

Naast het repareren van de effecten van de inflatiegolf uit het verleden, stellen we bij deze kaderbrief ook voor om de systematiek van indexeren aan te passen. Tot en met de begroting 2024 indexeerden we de budgetten en tarieven op basis van de inflatieverwachting van het Centraal Planbureau voor het komend jaar. In afgelopen jaren pakte de inflatie steeds hoger uit dan de aanvankelijke CPB-raming. Hierdoor bleven budgetten en subsidies niet 'automatisch' waardevast en waren bij kaderbrieven steeds individuele reparaties nodig. Vanaf de begroting 2025 willen we bij het bepalen van het indexpercentage voor het komend jaar ook de afwijking tussen het bijgestelde inflatiecijfer van het lopend jaar betrekken. Zo worden budgetten en tarieven voor het komend jaar met een hoger percentage geïndexeerd als de inflatie hoger is dan de eerdere verwachting. Andersom worden budgetten en tarieven met een lager percentage geïndexeerd, als de inflatie minder hoog is dan eerder verwacht. Hiermee volgen budgetten beter de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling binnen de sector overheid. Zie ook het hoofdstuk loon, prijs en ontwikkeling lokale heffingen.

Hoe gaan we om met de investeringen, mede i.r.t. de financieringslasten?

Voorafgaand aan de kaderbrief is de verwachte cashflow binnen het lopende MIP 2024-2027 geactualiseerd. Hierbij zijn in alle jaren investeringsvolumes naar achteren geschoven in de tijd. De verwachte kapitaallasten binnen het meerjarenbeeld nemen hierdoor in 2028 met 5,8 miljoen af en de reservering voor de kapitaallasten buiten het meerjarenbeeld stijgt naar € 6,3 miljoen. Zie voor de verdere analyse het hoofdstuk ontwikkeling kapitaallasten, schuldquote en reserve afkoopsommen erfpacht. Door de nieuwe investeringen en tegenvallers op lopende investeringen nemen de kapitaallasten binnen het meerjarenbeeld met 6,4 miljoen toe en buiten het meerjarenbeeld met 1,1 miljoen. De totale gereserveerde structurele begrotingsruimte voor kapitaallasten buiten het meerjarenbeeld bedraagt hiermee 7,4 miljoen.

Met de grote investeringsambities schuiven jaarlijks vooral vanaf het tweede jaar van de meerjarenbegroting bij iedere actualisatie kapitaallasten naar achteren in de tijd. Dit wordt geduid als 'planningsoptimisme'. Jaarlijks halen we daarom 61,2 miljoen van het beoogde investeringsvolume af. Op basis hiervan houden we in de exploitatie rekening met structureel 2,1 miljoen aan onderuitputting op kapitaallasten. Door de vergrote aandacht voor meer reële planningen zien we dat vooral werkelijk vrijval kapitaallasten in het eerste begrotingsjaar kleiner is geworden dan de afslag van 2,1 miljoen. Bij deze en vorige kaderbrieven moesten we steeds een nadeel presenteren in het eerste jaar. Deze kaderbrief bevat daarom het voorstel om de afslag voor planningsoptimisme in het eerste jaar te verlagen van € 61,2 miljoen naar 40 miljoen en daarna stapsgewijs op te laten lopen naar 70 miljoen in het vierde jaar van het meerjarenbeeld. Hiermee sluit deze afslag beter aan op de realisatie zoals we die in afgelopen jaren steeds zien. Zie voor verdere toelichting hoofdstuk ontwikkeling kapitaallasten, schuldquote en reserve afkoopsommen erfpacht.

Wat hebben we beschikbaar voor duurzame verstedelijking?
Gelijktijdig met de kaderbrief bieden we het Vermogensbeheer grondexploitaties aan. Dit beschrijft de geplande inzet van de reserve grondexploitaties. Het beschikbare bedrag in de reserve grondexploitaties zetten we, samen met andere dekkingsbronnen, in voor duurzame verstedelijking. De komende jaren staan diverse gebiedsontwikkelingen op het programma, waarbij elk jaar de ambities voor de komende jaren worden afgezet tegen de beschikbare dekking.

Binnen het stelsel van het vermogensbeheer grondexploitaties wordt het resultaat op het erfpachtbedrijf jaarlijks aan de reserve grondexploitaties toegevoegd. Vanuit gewijzigde regelgeving en in overleg met onze accountant blijkt dat uit de reserve afkoopsommen erfpacht € 38 miljoen versneld beschikbaar komt. Zie voor verdere toelichting hoofdstuk ontwikkeling kapitaallasten, schuldquote en reserve afkoopsommen erfpacht. Zoals door de raad besloten in het Vermogensbeheer Grondexploitaties houden we deze ruimte beschikbaar voor de grote opgaven op het gebied van de duurzame verstedelijking. Duurzame verstedelijking reikt verder dan enkel woningbouw. Ook nieuwe structurele investeringen in randvoorwaardelijke zaken zoals bereikbaarheid, energievoorziening en een kwalitatieve openbare ruimte in en rondom locatie- en gebiedsontwikkelingen behoren hiertoe. Gezien de raakvlakken met deze duurzame verstedelijking stellen we bij deze kaderbrief wel voor om het bestaande tekort op de herinrichting Lammenschansweg (samenhang gebiedsontwikkeling Lammenschansdriehoek) en de groene loper Stationsgebied - Stationsweg (samenhang gebiedsontwikkeling Stationsgebied) uit deze middelen te betalen. Naar de toekomst toe willen we onrendabele toppen kunnen blijven opvangen,zodat de betrokken gebiedsontwikkelingen voortgang kunnen blijven maken. Veiligheidshalve reserveren we daarom de resterende middelen voor toekomstige tegenvallers en investeringen in duurzame verstedelijking. Het college zal net als nu ook in de toekomst de eventuele inzet van middelen integraal afwegen.

Wat is de financiële situatie binnen het sociaal domein?

De belangrijkste ontwikkelingen binnen het financiële hek rond het sociaal domein zijn:

  • Op de regionale jeugdhulpbegroting treedt een tegenvaller op die bij ongewijzigd beleid oploopt tot € 5,4 miljoen structureel vanaf 2027. Deze tegenvaller is echter niet volledig autonoom maar hangt ook samen met (te maken) beleidskeuzes in de jeugdhulp. Deze tegenvaller bestaat voor € 1,2 miljoen op een nadeel door loon- en prijsontwikkeling (zie ook de toelichting bij Programma 7). Net als als de nadelen door loon- en prijsontwikkeling bij de Sociaal Wijkteams en Sterke Sociale Basis vangen we deze op vanuit de algemene middelen. Het restant vangen we in 2024-2026 volledig op. Dit dekken we vanuit de reserve sociaal domein.
    Zoals hiervoor aangegeven zijn we van mening dat met beleidskeuzes de beschikbare middelen doelmatiger moeten kunnen worden ingezet. Zo kunnen jongeren beter worden geholpen en komen de middelen terecht waar ze ook echt nodig zijn. De regionale Taskforce en de landelijke Hervormingsagenda moeten hiervoor de voorwaarden gaan scheppen. Vanaf 2027 willen we de nieuwe extra taakstelling binnen het financiële hek van € 4,2 miljoen gaan invullen. Als structurele buffer voor eventuele knelpunten hierbij verhogen we de behoedzaamheidsruimte met uiteindelijk 2,1 miljoen structureel vanaf 2028. Zo bouwen we in prikkel in om daadwerkelijk hervormingen en een doelmatiger en rechtvaardiger beleid door te voeren. Tegelijkertijd houden we een buffer aan om in het hervormingentraject eventuele tegenvallers structureel op te vangen.
  • Het aantal inwoners van de stad groeit tot en met 2028 door het lopende woningbouwprogramma (+ 8,9%). Specifiek het aantal 65+-ers zal ook sterk toenemen (+12,5%). Hierdoor zal het gebruik van Wmo-maatwerkvoorzieningen waarschijnlijk groeien. In programma 9 houden we daarom rekening met stijgende kosten door volumeontwikkeling van deze maatwerkvoorzieningen. Dit dekken we vanuit de toegezegde extra middelen uit de Voorjaarsnota van de Rijksoverheid. Zie ook de toelichting in programma 9.
  • Het college heeft besloten om de kosten en opbrengsten van de Leidse Sleutelpas in de begroting te verwerken. De helft van de aanloopkosten dekt het college (€ 907.000) incidenteel vanuit de reserve sociaal domein. Omdat de pas naast het minimabeleid ook meerdere andere beleidsterreinen raakt, wordt de andere helft van de opstartkosten opgevangen vanuit de Algemene middelen. Vanaf 2029 moeten de opbrengsten uit de verkoop van de pas de kosten volledig dekken.
  • Het college vult met deze kaderbrief 2,3 miljoen van de openstaande taakstelling van 3,4 miljoen vanaf 2027 in. Deze maatregelen zijn toegelicht in Programma 9. Inclusief het nieuwe tekort vanuit de jeugdhulp staat vanaf 2027 nog een structurele taakstelling open van 5,3 miljoen.
  • Gezien de risico's op de hervormingen binnen de specialistische Jeugdhulp en het exploitatierisico op de Sleutelpas verhogen we de omvang van de risicobuffer binnen de reserve sociaal domein van € 1,5 miljoen naar 5 miljoen. Aanvullend op deze risicobuffer heeft de reserve sociaal domein nog ongeveer € 4,9 miljoen aan extra ruimte. We stellen voor om deze ruimte aan te houden gezien de genoemde risico's en verwachte frictiekosten bij de hervorming rond de specialistische jeugdhulp.

Na deze maatregelen resteert binnen het sociaal domein een structureel tekort van € 5,3 miljoen. Vanuit de programmabegroting hielden we € 1,1 miljoen behoedzaamheidsruimte aan tegenover de nog niet ingevulde taakstelling binnen het sociaal domein. Dit deel van de behoedzaamheidsruimte verhogen we naar € 4,3 miljoen in 2027 en 3,2 miljoen vanaf 2028. Zo wordt deze taakstelling voorzichtigheidshalve voor een deel afgedekt door het behoedzaamheidsbudget. Dit kan worden ingezet als de maatregelen om de kosten terug te brengen ontoereikend zijn om het volledige bedrag in te vullen.

3. Financiële positie na de keuzes in de kaderbrief

Met de bovenstaande keuzes meent het college dat het in de begroting een verantwoorde balans aanbrengt tussen de financiële mogelijkheden en gewenste uitgaven:

  • Op basis van onze berekeningen blijven alle jaren van het meerjarenbeeld structureel sluitend. Dit betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten op te vangen. Bovendien is in het structureel saldo van € 24.000 voordelig in 2028 rekening gehouden met de dekking van 7,4 miljoen aan kapitaallasten van investeringen tot en met jaarschijf 2028 van het investeringsplan waarvan de kapitaallasten pas vanaf 2029 en verder de begroting binnen komen. Hiermee ligt er een solide basis om ook bij komende meerjarenbegrotingen de laatste jaarschijf sluitend te houden.

(in 1.000, - = voordeel)

2024

2025

2026

2027

2028

Structureel begrotingssaldo

-7.657

-20.651

-10.820

-6.639

-24

  • Als incidentele buffer voor toekomstige tegenvallers is de concernreserve in alle jaren op het vereiste niveau van 100% van de uitkomst van de risicosimulatie en 150% in het laatste jaar. Ten opzichte van de ondergrens heeft de concernreserve een marge van 461.000.
Verloop concernreserve t.o.v. norm weerstandsvermogen (mln.)
  • In het structurele beeld is een taakstelling opgenomen van 5,3 miljoen op het sociaal domein. Dit is een financiële opgave waartegenover we richting de Programmabegroting 2025 maatregelen binnen het domein van de jeugdhulp in beeld gaan brengen. Voor het geval dat het college er niet in slaagt om dit bedrag bij te sturen, plaatsen we in 2027 4,3 miljoen aan behoedzaamheidsruimte tegenover deze taakstelling en in 2028 3,2 miljoen. Dit is structurele begrotingsruimte 'buiten het hek' die de raad in staat stelt het structurele tekort op te vangen als we er niet in slagen om met maatregelen bij te sturen. Beide passen bij een solide financieel beleid: enerzijds is er een prikkel om doelmatige hervormingen door te voeren, anderzijds is er een stevige buffer gecreëerd om onverhoopte tegenvallers daarbij op te vangen. Vanwege het afnemen van het renterisico kiezen we ervoor om de behoedzaamheidsruimte die niet rechtstreeks aan de taakstelling sociaal domein is gekoppeld in 2024-2026 vrij te laten vallen en vanaf 2027 met 774.000 te verlagen tot € 800.000 om ruimte te maken om de tegenvallers en nieuwe uitgaven in deze kaderbrief te dekken.
Taakstelling Sociaal Domein en behoedzaamheidsruimte (mln.)
  • De geprognosticeerde schuldpositie van de gemeente daalt in de eerste jaren door het reëler ramen van de cashflow binnen de investeringen. Vanaf 2027 loopt deze iets op door de tegenvallers op geplande investeringen en het toevoegen van nieuwe investeringen aan het meerjaren investeringsplan. Dit wordt zichtbaar in de netto schuldquote. Dit kengetal zet de netto schuld van de gemeente af tegen te totale baten. De netto schuldquote houdt geen rekening met inflatie of het gegeven dat grote investeringen vaak in een langzamer tempo verlopen dan aanvankelijk ingeschat. Hierdoor zal de grafiek bij gelijkblijvend beleid bij volgende kaderbrieven en begrotingen waarschijnlijk nog afvlakken.
Ontwikkeling netto schuldquote 2024-2028