Kaderbrief 2020-2024

Ontwikkeling kapitaallasten en schuldquote

Bij het opstellen van de kaderbrief wordt zoals gebruikelijk de budgettaire ontwikkeling van de meerjarenkapitaallasten 2021 - 2024 bepaald. Dit op basis van het doorrekenen van de kapitaallasten van de afgeronde investeringen, lopende investeringen en investeringen uit het meerjareninvesteringsplan 2020 - 2023, op basis van actuele cash-flows van investeringen die is uitgevraagd bij de budgethouders van investeringen. Het actualiseren van het bestaande meerjareninvesteringsplan 2020 - 2023 vindt plaats bij het opstellen van de programmabegroting 2021. Op dat moment wordt ook de besluitvorming (voor wat betreft investeringen) over de aanmeldingen bij de kaderbrief .

Deze paragraaf geeft daarnaast voor de periode 2021-2031 inzicht in de ontwikkeling van de kapitaallasten op middellange termijn en buiten het 4-jaars perspectief van de reguliere planning-en-controlcyclus. Op basis hiervan maken we een langere doorkijk van de ontwikkeling van de schuldpositie en beschrijven we de maatregelen om tot een realistischere investeringsplanning te komen. Idealiter zou een in tijd en ruimte afgestemde planning van de verschillende investeringsambities in Leiden de basis moeten zijn voor een investeringsplanning over tien jaar. De nu opgestelde investeringsplanning 2021-2030 is echter grotendeels vanuit de investeringsambities op individuele beleidsterreinen opgebouwd. Dit meerjareninvesteringsplan over 10 jaar kan wel weer input geven voor het realistisch en meer in onderlinge samenhang plannen van de werkzaamheden in de stad Leiden. Dit moet elkaar versterken.

Een kanttekening: het is een complexe opgave om een investeringsplanning voor een periode van 10 jaar te maken. Hoewel veel basisinformatie beschikbaar is (met name concept beheerplannen van domeinen in openbare ruimte), moeten op onderdelen ook aannames worden gemaakt over vervangingstermijnen, de snelheid waarmee investeringen kunnen worden afgerond en zaken waarover nog besluitvorming moet plaatsvinden. Hiermee geeft dit memo niet ‘de waarheid’ weer voor de komende 10 jaar, maar wel een plausibel beeld waarbij de gehanteerde aannames zijn verantwoord.

1. Ontwikkeling kapitaallasten 2021 – 2024

Het totaal van de kapitaallasten voor de begroting 2021 - 2024 laat ten opzichte van het huidige meerjarenbeeld (2020 - 2023) de volgende ontwikkeling zien:

bedragen x 1.000

    

meerjarenbeeld kapitaallasten

2021

2022

2023

2024

2020 - 2023

41.427

46.050

52.254

52.254

2021 - 2024

37.136

41.630

46.643

49.391

verschil:

- 4.291

- 4.420

- 5.611

- 2.863

De budgettaire effecten moeten gecorrigeerd worden voor bijvoorbeeld mutaties in kapitaallasten die worden verrekend met reserves ter dekking van kapitaallasten (de parkeerreserve, de reserve afschrijving investeringen en de reserve duurzame stad voor de voordelen op kapitaallasten van investeringen uit het Financieel Perspectief Duurzame Stad) en de correctie van de stelpost kapitaallasten, waarop gedurende het jaar “technische” mutaties worden geboekt. Voor- en nadelen op de kapitaallasten van investeringen in bedrijfsmiddelen worden gestort in de bedrijfsvoeringsreserve concern.

De diverse correcties, waaronder de kapitaallasten die worden gedekt door reserves en de correctie van de stelpost kapitaallasten, geven het volgende beeld:

bedragen x 1.000

    

meerjarenbeeld kapitaallasten

2021

2022

2023

2024

totaal correcties:

1.563

3.060

2.420

1.765

De voordelen op kapitaallasten van de investeringen in de bedrijfsvoering worden toegevoegd aan de bedrijfsvoeringsreserve concern. Deze bedragen:

bedragen x 1.000

    

meerjarenbeeld kapitaallasten

2021

2022

2023

2024

totaal voordeel bedrijfsmiddelen:

230

194

248

222

Ten opzichte van het meerjarenbeeld 2020 – 2023 geeft dit de volgende voordelige budgettaire ontwikkeling in de kapitaallasten te zien:

bedragen x 1.000

    

meerjarenbeeld kapitaallasten

2021

2022

2023

2024

totaal resultaat:

- 2.498

- 1.166

- 2.943

- 876

Opgesplitst per programma geeft dit het volgende beeld:

bedragen x 1.000

    

Per Programma:

2021

2022

2023

2024

Bestuur & Dienstverlening

3

3

2

-

Veiligheid

-

-

-

-

Economie & Toerisme

- 1

-

-

-

Bereikbaarheid

- 610

- 939

- 2.803

- 1.474

Omgevingskwaliteit

- 1.549

- 948

- 801

92

Stedelijke Ontwikkeling

- 112

- 177

- 177

- 210

Jeugd en Onderwijs

- 464

- 147

- 142

- 102

Sport, Cultuur & recreatie

252

92

22-

137

Welzijn en Zorg

-

-

1

-

Werk en Inkomen

-

-

-

-

Algemene Dekkingsmiddelen

487

1.134

955

955

Totaal:

- 2.498

- 1.166

- 2.943

- 876

Conclusies kaptaallasten 2021-2024

De “vrije” budgettaire ontwikkeling in de kapitaallasten 2021 – 2024 bedraagt:

bedragen x 1.000

    

meerjarenbeeld kapitaallasten

2021

2022

2023

2024

totaal resultaat:

- 2.498

- 1.166

- 2.943

- 876

  • De voordelen in elk jaar zijn incidenteel van aard.
  • In het meerjarenbeeld 2021 - 2024 zijn in de laatste jaarschijf nog niet de volledige en maximale kapitaallasten van de lopende investeringen en investeringen uit het meerjareninvesteringsplan 2020 – 2023 meegenomen. Een aantal cash-flows zal in en na 2024 plaatsvinden waardoor kapitaallasten buiten het meerjarenbeeld vallen. Daarnaast bestaat nog onvoldoende beeld van de kapitaallasten van vervangingsinvesteringen die in 2024 aan het investeringsplan worden toegevoegd. Vooralsnog wordt voor het maximale niveau van de kapitaallasten een toename verwacht van 1.500.000. Dit effect zit voornamelijk op programma 4 voor de investering Leidse Ring Noord en voor een klein deel in programma 7 op de investeringen voor de onderwijshuisvesting. Hiertegenover staat dat door de grotere investeringsvolumes ook een grotere onderuitputting wordt verwacht. Deze schatten we in op € 1 miljoen extra in 2024. Per saldo voeren we in deze Kaderbrief in 2024 daarom € 500.000 kapitaallasten op voor cashflow na 2024.
  • In het meerjarenbeeld is naast de incidentele voordelen als gevolg van het aanpassen van cash-flows op basis van actuele ontwikkelingen ook een stelpost onderuitputting kapitaallasten opgenomen omdat blijkt dat een zeker “planningsoptimisme” elk jaar leidt tot een voordeel in de kapitaallasten van een jaar. Deze bedraagt:

bedragen x 1.000

    

meerjarenbeeld kapitaallasten

2021

2022

2023

2024

Onderuitputting kapitaallasten 2021 – 2024:

- 1.279

- 1.779

- 1.779

- 1.779

2. Prognose investeringsplanning 2021-2031

Naar aanleiding van een motie van de gemeenteraad heeft het college voor de zomer 2019 het accountants- en adviesbureau Deloitte opdracht gegeven de financiële positie van de gemeente te onderzoeken. In hun onderzoeksrapport bevestigde Deloitte het beeld dat de gemeente ook al had: hoewel de financiële positie nu solide is, loopt in de komende vier jaar de schuldpositie van de gemeente fors op. Dit komt vooral door het grote volume aan investeringen dat voor de komende vier jaar in de planning zit (met name de Leidse Ring Noord, overige bereikbaarheidsinvesteringen, sportaccommodaties etc.).

Een hoge schuld maakt de gemeente relatief kwetsbaar voor renteschommelingen (al is dit risico voor een deel afgedekt) en vermindert de flexibiliteit om bij te sturen. In het meerjarenbeeld bij de begroting 2020 nam de schuld jaarlijks alleen maar toe. Het college heeft naar aanleiding van de discussie in de commissie WM toegezegd meer inzicht te willen geven door de huidige investeringsplanning op te rekken van 4 naar 10 jaar zodat inzicht wordt verkregen in de Leidse investeringen op de middellange termijn.

Aannames in de berekeningen

Bij het opstellen van de investeringsplanning over 10 jaar zijn de onderstaande aannames gebruikt:

  • De meerjareninvesteringsplanning en kapitaallastenberekening over 10 jaar sluit aan op de kapitaallastenontwikkeling 2021-2024 die onderdeel uitmaakt van de Kaderbrief 2020-2024
  • Verschillen in de periode 2021-2024 worden veroorzaakt door verschuivingen in de snelheid waarmee de uitgaven voor de investeringen worden gedaan en het verwerken van de aanmeldingen voor investeringen nieuw beleid als onderdeel van de kaderbrief.
  • De investeringsplanning en kapitaallastenontwikkeling is gebaseerd op onderliggende (concept) beheerplannen van de domeinen in de openbare ruimte, Integraal Waterketenplan (IWKp), onderwijshuisvestingsplan (inclusief de aanvullende investeringsbehoefte van 50,0 miljoen. zoals aangemeld bij Kaderbrief 2020-2024) en besluiten door de Raad over voornemens op middellange termijn (bijvoorbeeld groene hoofdstructuur, Financieel Perspectief Duurzame Stad etc.).
  • Het betreft hier dus vooral een investeringsplanning van de vervangingsinvesteringen.
  • In de kapitaallastenontwikkeling zijn alleen die ‘nieuw beleid’-investeringen opgenomen die zijn aangemeld als onderdeel van de Kaderbrief (voor de periode 2021-2024).
  • Voor de vervangingsinvesteringen die geen onderdeel uitmaken van een beheerplan en/of door raad besloten beleidsvoornemens, is beoordeeld of een vervangingsinvestering moet worden opgenomen nadat de oude investering in deze periode volledig is afgeschreven.
  • In de berekening is als uitgangspunt genomen dat een investering in jaar t leidt tot volledige kapitaallasten in het jaar t+1. Naar verwachting zit hier dus nog enig planningsoptimisme in waarvoor bij de berekening van de schuldquote een correctie wordt toegepast..
  • In het Financieel Perspectief Duurzame Stad zit mogelijk voor ongeveer 30 miljoen aan investeringsvolume voor verstedelijking (bijvoorbeeld voor de gebiedsontwikkeling Energiepark) en energietransitie die niet zijn meegenomen omdat nog niet zeker is of dit leidt tot een af te schrijven activum. Een voorbeeld hiervan is het Leidse aandeel in de investering voor de warmterotonde).
  • De investeringen voor fietsparkeren zijn opgenomen overeenkomstig de doorrekening in de meerjarige parkeerexploitatie.

Ontwikkeling boekwaarde van investeringen in de periode 2021-2031

Wanneer de gemeente investeert ontstaat op de balans een boekwaarde van een actief. De verwachte totale boekwaarde op 31-12 van de komende jaren bestaat uit de boekwaarden van afgeronde investeringen (vermindert met afschrijvingen tot dan toe), investeringen die op dit moment onder handen zijn en de toekomstige investeringen uit het 10-jarig investeringsplan.

De ontwikkeling van de boekwaarde over de periode 2021-2031 is als volgt:

Figuur 1: Ontwikkeling boekwaarde 2021-2031 (bedragen x 1.000)

De maximale boekwaarde bedraagt op 31-12-2026 een bedrag van 1,279 miljard. Onderverdeeld naar de diverse begrotingsprogramma’s in Leiden ontwikkelt de totale boekwaarde zich over de periode 2021-–2031 als volgt:

Figuur 2: Ontwikkeling boekwaarde 2021-2031 per begrotingsprogramma (bedragen x 1.000)

  • Met name programma 5 Omgevingskwaliteit laat een stijging zien. Dit is het gevolg van het verwerken van de vervangingsinvesteringen uit de (concept) beheerplannen 2021-2031 van de diverse domeinen in de openbare ruimte (wegen, kunstwerken, openbare verlichting, water, spelen etc.). Dit op basis van de meest recente schouwen van deze domeinen.
  • Programma 4 Bereikbaarheid laat een stijging van de boekwaarde zien tot en met 2027. Dit houdt direct verband met de geplande werkzaamheden aan de Leidse Ring Noord.
  • De ‘gestage’ stijging van de boekwaarde in programma 7 Jeugd en Onderwijs heeft betrekking op de in de Kaderbrief 2020-2024 opgenomen wens tot aanvullende middelen voor de onderwijshuisvesting. Bij deze prognose is ervan uit gegaan dat de onderwijshuisvestingsproblematiek ook na deze periode tot aanvullende investeringen kan leiden.
  • In programma 8 Cultuur Sport & Recreatie is in 2023 duidelijk de piek te zien als gevolg van de investeringen in de nieuwe sportaccommodaties.

Ontwikkeling kapitaallasten van investeringen in de periode 2021-2031

De ontwikkeling van de boekwaarde heeft direct invloed op de ontwikkeling van de kapitaallasten (rente en afschrijving) die in de begroting van Leiden zijn opgenomen. Immers, over de boekwaarde van investeringen worden de kapitaallasten berekend (tegen de in de financiële verordening vastgestelde afschrijvingstermijnen en de omslagrente die Leiden hanteert).

De ontwikkeling van de kapitaallasten over de periode 2021-2031 laat het volgende beeld zien.

Figuur 3: Ontwikkeling kapitaallasten 2021-2031 (bedragen x 1.000)

Ten opzichte van de aanmelding van de kapitaallastenontwikkeling bij de Kaderbrief 2020-2024 (zie rode lijn KB2021 in de grafiek, dit is de bijgewerkte investeringsplanning zoals vastgesteld in de Programmabegroting 2020) voor de periode 2021-2024 is al sprake van een stijging van de kapitaallasten omdat vanuit de basisinformatie de investeringen in de eerste vier jaar toenemen als gevolg van de aanmeldingen in deze kaderbrief, het actualiseren van de parkeerexploitatie (auto en fiets) en het opstellen van de concept beheerplannen van de domeinen in de openbare ruimte.

In de nog vast te stellen programmabegroting 2021 van de gemeente Leiden is vanaf 2024 een bedrag van ongeveer 50,9 miljoen aan kapitaallasten opgenomen. De maximale kapitaallasten bedragen 55,6 miljoen in 2031 (dat lijkt ook het moment dat een dalende lijn wordt ingezet gezien de daling van de boekwaarde).

Onderverdeeld naar de diverse begrotingsprogramma’s in Leiden laat dit over de periode 2021-2031 het volgende beeld zien:

Figuur 4: Ontwikkeling kapitaallasten 2021-2031 per begrotingsprogramma (bedragen x 1.000)

Ook hier springt de stijging van de kapitaallasten van programma 5 in het oog. Dat is logisch, een stijging van de boekwaarde betekent een stijging van kapitaallasten. In de begroting 2021 wordt rekening gehouden met een structurele kapitaallasten in programma 5 van afgerond 11,7 miljoen in 2024. Op basis van de concept beheerplannen 2021-2031 neemt de kapitaallast toe tot naar een volume van 16,3 miljoen in 2031. Overigens wordt de stijging ook veroorzaakt door ‘nieuw beleid’-investeringen in bijvoorbeeld het Singelpark en bruggen i.v.m. verbetering doorvaarbaarheid.

Naast bovenstaande redenen voor de stijging van kapitaallasten in programma 5 zijn er nog andere oorzaken, zoals er op dit moment beter inzicht is in de toekomstige vervangingsinvesteringen op basis van het schouwen van de openbare ruimte. De belangrijkste reden is echter dat bijna geen kapitaallasten van afgeronde investeringen vrijvallen om de kapitaallasten van de vervangingsinvesteringen te dekken. Dat komt doordat in het verleden veel geïnvesteerd is met rijksmiddelen en/of gemeentelijke reserves en de investeringen daarom niet geactiveerd werden. We hebben dus onvoldoende kapitaallasten voor de dekking van de vervangingsinvesteringen. Tot slot is door prijsstijgingen de vervangingsinvestering duurder ten opzichte van de afgeschreven investering van 25 tot 40 jaar geleden.

Naar verwachting ligt er ook na 2031 een financiële opgave voor het dekken van de nodige vervangingsinvesteringen in programma 5 Omgevingskwaliteit omdat de vervangingswaarde substantieel hoger ligt dan de boekwaarde (inschatting: rond 1,0 miljard). Dit betreft vervangingsinvesteringen in de domeinen wegen, kunstwerken etc. en de vervangingsinvesteringen voor rioleringen.

De stijging van de kapitaallasten in programma 7 heeft betrekking op de in de Kaderbrief 2020-2024 opgenomen wens tot aanvullende middelen van 50,0 miljoen voor de onderwijshuisvesting. In de begroting 2021 wordt rekening gehouden met een structurele kapitaallasten in programma 7 van afgerond 8,0 miljoen in 2024. Als gevolg van de aanmelding bij de Kaderbrief 2020-2024 neemt de kapitaallast toe tot een volume van 9,7 miljoen.

De kapitaallasten in het programma 4 Bereikbaarheid dalen nadat de piek is bereikt in 2027 maar zit in 2031 met 13,3 miljoen nog altijd boven het niveau van de laatste jaarschijf (2024) van de begroting 2021 waarin een bedrag van 12,0 miljoen is opgenomen.

Het meerjareninvesteringsplan over de periode 2021-2031 zorgt voor een verdere toename van de kapitaallasten in de begroting van de gemeente Leiden. Dat gaat om een bedrag van 2,2 miljoen in 2025 oplopend naar 4,7 miljoen naar 2031.

De stijging van de boekwaarde van de Leidse investeringsambities (en stijgende kapitaallasten) voor de periode 2021-2031 heeft een opwaarts effect op de schuldquote van de gemeente Leiden.

Ontwikkeling schuldquote 2021-2031

Voor het monitoren van de ontwikkeling van de schuldpositie schrijven de verslaggevingsregels het kengetal van de netto schuldquote voor. Dit is de (verwachte) totale schuld van de gemeente op balansdatum als percentage van de totale baten van de begroting. Hierbij wordt de totale schuld gecorrigeerd op de vorderingen op derden die de gemeente nog open heeft staan. In onderstaande grafiek wordt de ontwikkeling van de netto schuldquote (in procenten) weergegeven:

Figuur 5: Ontwikkeling schuldquote 2021-2031

Een belangrijke variabele van de schuldquote is de omvang van de vaste schuld van de gemeente. Die variabele is weer nauw verbonden met de investeringsambities van de gemeente Leiden. Ambities moeten immers gefinancierd worden door het aantrekken van geldleningen. Omdat de omvang van de investeringen vanaf 2027 stabiliseren en zelfs licht dalen, neemt de schuldquote toe tot een maximum van 183% in 2027 en gaat deze vanaf dat moment licht dalen. (In de begroting 2020 is de schuldquote in het laatste jaar 2023 geprognosticeerd op 166,4 %. In de jaarrekening 2019 bedraagt de schuldquote 88%.)

De ‘noemer’ van de schuldquote zijn de totale baten van de begroting. De baten zijn in deze berekening vanaf 2024 in basis constant gehouden. Wel is rekening gehouden met toenemende baten van de gemeente Leiden als deze samenhangen met opgenomen investeringen (bijvoorbeeld uit de riool en afvalstoffenheffing vanuit het beginsel dat er sprake is van volledige kostendekkendheid). Eventuele mee- of tegenvallers bij de herverdeling van het Gemeentefonds kunnen de totale baten en daarmee de berekende schuldquote nog sterk beïnvloeden.

In elk jaar is een negatieve correctie op de boekwaarde van 50,0 miljoen opgenomen, wat dus leidt tot een lagere boekwaarde en omvang van de vaste schuld. De correctie is gerelateerd aan de omvang van de stelpost kapitaallasten die in de Leidse begroting is opgenomen omdat we weten dat er jaarlijks, als gevolg van planningsoptimisme, voordelen in de kapitaallasten ontstaan. In de regel zijn deze zelfs hoger dan de stelpost. Zeker tot het moment van het afronden van de majeure investeringen in de periode tot ongeveer 2026 (bijvoorbeeld in de Leidse infrastructuur en de sportaccommodaties) zou een hogere correctie gehanteerd kunnen worden.

De schuldquote in figuur 5 (blauwe lijn) is opgesteld op basis van constante prijzen, zonder rekening te houden met een index voor inflatie /prijsstijging. Als we wel rekening houden met een index op de investeringsbedragen en de totale baten van de begroting van 1,5% (zoals opgenomen in de meicirculaire van het Gemeentefonds) valt de schuldquote lager uit. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat de totale baten stijgen (=noemereffect) terwijl het niveau van de investeringen in de latere jaren fors lager ligt dan in de huidige vierjaarsperiode met een piek van 163% in 2025. Uiteraard is de hoogte van de inflatie de komende jaren onzeker.

Planningsoptimisme

De prognoses van de schuldpositie in de begroting zijn al enige tijd onderhevig aan ‘planningsoptimisme’. Er wordt minder geïnvesteerd in de stad dan is voorgenomen. Jaarlijks is dan ook een onderbesteding zichtbaar in de jaarrekening. Deze situatie is onwenselijk. College en raad moeten voor de beoordeling van de financiële positie van de gemeente een reëler beeld krijgen. Het doel is dat onze ramingen over met name de verwachte cashflow realistischer worden zodat de prognoses over de schuldpositie & solvabiliteit (verhouding tussen eigen vermogen en balanstotaal) ook betrouwbaarder worden. Er moet dus nauwkeuriger worden gestuurd op planning en uitvoering van onze eigen ambities, zodat de financieringsbehoefte daarop aangesloten kan worden. Het streven is om dit te realiseren door het realistischer maken van projectplanningen zowel binnen de projecten als tussen de projecten (waaronder dus ook de vervangingsinvesteringen in de openbare ruimte).

Het Projectbureau van Leiden heeft de afgelopen periode een aantal stappen genomen om de projectbeheersing te verbeteren:

  • Het vergroten van de capaciteit planning & risicoadviseurs zodat alle PB-projecten een gedegen advies krijgen.
  • Er is per project intensief contact tussen de projectcontroller en de planning & risicoadviseur zodat wijzigingen in de planning of risico’s door vertaald zijn in de projectfinanciën.
  • De projecten rapporteren 4 keer per jaar over de voortgang middels de projectrapportage. De rapportagemomenten zijn hierbij gekoppeld aan de P&C-cyclus om zo efficiënt mogelijk te werken.
  • Projectbureau-projecten worden geclusterd in gebieden (of rond een thema) om zo meerwaarde op te leveren op inhoudelijk, financieel, organisatorisch en/of communicatief vlak. Hierbij wordt een eenduidige werkwijze gehanteerd, wordt de samenhang tussen projecten onderkend en worden de ruimtelijke ontwikkelingen in een bepaald gebied goed in beeld gebracht.
  • Een eenduidige werkwijze binnen deze gebieden (thema’s moet nog nader uitgewerkt en vorm krijgen). In Leiden Zuid-West (pilot) wordt maandelijks een gebiedsoverleg gehouden omdat meerdere projecten (cluster-overstijgend) hier afhankelijkheden van elkaar hebben (o.a. fysiek in de ruimte en in de tijd). Deze overlegstructuur is nog niet in elk gebied dusdanig ingeregeld en zal deels afhangen van de resultaten van de pilot.
  • De planning & risicoadviseurs zijn zoveel mogelijk ingedeeld naar de gebieden die door het PB onderscheiden worden. Hierdoor weet de adviseur welke PB-projecten er in het gebied spelen en kunnen afhankelijkheden goed in de gaten gehouden worden.
  • Per gebied worden op hoofdlijnen gebiedsplanningen opgesteld. Hierin worden ook de planningen van O&M en beheer-projecten opgenomen.

Daarnaast worden de komende periode onderstaande acties uitgevoerd om het realisme in de projectplanningen te optimaliseren:

  • Op dit moment staan alle PB-projecten in één planningsbestand. Gekeken wordt of de methode die hiervoor wordt ingezet efficiënter kan.
  • Verder zal het Projectbureau de mogelijkheden voor een projectmanagementtool nader onderzoeken om projectmanagers sneller en eenvoudig van actuele informatie (vanuit de verschillende applicaties) te voorzien om hun project nog beter te kunnen sturen en beheersen.
  • Verdere ontwikkelingen binnen het PB zijn het uitwerken en toepassen van projectaudits en -reviews.
  • Nadat de cashflows per project zijn aangeleverd en verwerkt in het nieuwe meerjareninvesteringsplan zullen de RVT-managers van het Projectbureau en Stedelijke Ontwikkeling het volledige overzicht nog beoordelen om eventueel projecten in de tijd te verschuiven op basis van mogelijke gebiedsontwikkeling of samenhang tussen verschillende projecten.

Er zijn dus maatregelen genomen om de projectbeheersing te verbeteren en daarmee een goede basis hebben voor een adequate en realistische prognose voor de middellange termijn t.a.v. de uitvoering van projecten.

Conclusies investeringsplanning 2020-2030, schuldquote en planningsoptimisme

  • Deze paragraaf gaat het vooral over een trendmatige ontwikkeling en een plausibel beeld van hoe investeringsambities die leiden tot boekwaardes, daaruit voortvloeiende kapitaallasten, planning van de werkzaamheden en schuldquote elkaar de komende 10 jaar beïnvloeden.
  • De maximale boekwaarde bedraagt op 31-12 2026: 1.279.000.000 (circa 1,3 miljard).
  • De maximale kapitaallasten bedragen 55,6 miljoen in 2031 (dat lijkt ook het moment dat een dalende lijn wordt ingezet gezien de ontwikkeling van de boekwaarde).
  • Het meerjareninvesteringsplan 2021-2030 zorgt voor een toename van de kapitaallasten in de begroting van de gemeente Leiden. Dat gaat om een toename van 2,2 miljoen in 2025 oplopend naar 4,7 miljoen in 2031.
  • Naar verwachting ligt er ook na 2031 een financiële opgave om de vervangingsinvesteringen binnen programma omgevingskwaliteit te kunnen dekken.
  • De schuldquote neemt bij rekenen met constante prijzen toe tot een maximum van 183% in 2027 en gaat vanaf dat moment licht dalen. Bij het rekenen met een index van 1,5% stijgt de schuldquote tot 169% in 2025 en gaat vanaf dan geleidelijk dalen.
  • Er worden en zijn maatregelen genomen om de projectbeheersing te verbeteren en daarmee een goede basis te hebben voor een adequate en realistische prognose voor de middellange termijn ten aanzien van de uitvoering van projecten.