Ga naar boven

Algemene uitgangspunten

Voor het opstellen voor deze kaderbrief en dus voor het opstellen van de Programmabegroting hebben we een groot aantal uitgangspunten gehanteerd. In de volgende paragrafen gaan we in op indexering en areaalontwikkeling.

Hieronder bespreken we het sluitend meerjarenperspectief inclusief een doorkijkje naar 2022.
Het jaar 2022 is een zeer relevant jaar omdat daarin de gehele opbrengst aan precario kabels en leidingen komt te vervallen. Daarnaast is sprake van een grote tranche van de meerjarige opschalingskorting in de algemene uitkering van het rijk.

Tot slot geven we in het kort onze visie op de ontwikkeling van de financiële kengetallen weer.
Zoals al eerder is aangegeven zijn de resultaten van de meicirculaire niet in deze kaderbrief verwerkt. In paragraaf 3.4.2. geven we wel aan wat de financiële consequenties van de meicirculaire zijn.

5.1.1. Sluitend meerjarenperspectief
Het college heeft zich gericht op een structureel sluitend meerjarenbeeld. Het is zich bewust van de taakstellingen die daarvoor nog ingevuld moeten worden. De ervaring leert echter dat college en organisatie de realisatie van de taakstellingen scherp monitoren, en tijdig tot actie overgaan als de invulling van een taakstelling in gevaar komt.

Een andere randvoorwaarde waar we rekening mee hebben gehouden is dat er aan het eind van de begrotingsperiode, i.c. 2021 minimaal een bedrag van € 30 miljoen in de concernreserve zit als weerstandvermogen.

Met de resultaten van deze kaderbrief daarin verwerkt ziet het verloop van de concernreserve er uit als in onderstaande grafiek.

Conclusie is dat het gelukt is aan het einde van het meerjarenbeeld € 30 miljoen als weerstandvermogen beschikbaar te hebben.

Tijdelijk tekort in reserve Parkeren.
Zoals wij u eerder hebben gemeld ontstaat er de komende jaren een tijdelijk ‘kastekort’ bij deze reserve. Na een aantal jaren sluit de reserve Parkeren structureel en zal deze een oplopend positief saldo kennen. Het college heeft eerder voorgesteld om deze tijdelijk negatieve stand van de reserve Parkeren aan te vullen met een onttrekking aan de concernreserve, die daardoor gedurende die jaren in het meerjarenbeeld wel tijdelijk maar meerjarig onder de € 30,0 miljoen raakt. Voorwaarde blijft dat het weerstandsvermogen altijd groter is dan het bedrag dat is berekend in de risico-simulatie. Deze tijdelijke onttrekking wordt weer teruggestort in de concernreserve zodra de parkeerexploitatie weer een positieve stand van de reserve Parkeren realiseert. De huidige schatting van de meest negatieve stand van de reserve bedraagt tussen de circa € 3,5 en 4,5 miljoen en lijkt zich nu gunstiger te ontwikkelen dan wij vorig jaar prognosticeerden. Deze stand is vooral afhankelijk van de ontwikkeling van de inkomsten. De komende maanden houden we de schattingen hiervan opnieuw tegen het licht en kunnen we waarschijnlijk een nauwkeuriger schatting afgeven (bij de Programmabegroting 2018-2021). In bovenstaande grafiek hebben we rekening gehouden met een maximale negatieve stand van € 4 miljoen.

Structureel overschot in 2021
In 2021 is sprake van een positief begrotingssaldo van € 78.000. Daar maken we drie kanttekeningen bij.
Ten eerste: het 'structurele' deel van dit saldo aanmerkelijk gunstiger. Dat wordt voornamelijk veroorzaakt doordat er in dat saldo een incidentele post zit voor een toevoeging aan de concernreserve van circa € 1,6 miljoen. Die vervalt in 2022 en is dan opnieuw inzetbaar.
Ten tweede hebben we voor een aantal activiteiten gekozen voor tijdelijke financiering tot en met het verkiezingsjaar 2018. Door deze niet in de nieuwe meerjarenbegroting op te nemen kan bij de volgende collegevorming de afweging worden gemaakt om deze activiteiten al dan niet voort te zetten. De activiteiten waren uitdrukkelijk wensen van de huidige coalitie en passend bij het huidige beleidsakkoord. Deze activiteiten zijn: Uitvoering economische agenda 071, transitiebudgetten in de zorg, subsidies culturele instellingen, stage nieuwe stijl, reële daling OZB met 1,5%
Ten derde hebben we in het eerstvolgende jaar, 2022, te maken met twee substantiële tegenvallers. De precarioheffing kabels en leiding van € 7,8 miljoen vervalt, en de opschalingskorting van het rijk op de algemene uitekring stijgt in dat jaar met € 0,9 miljoen. Bij elkaar dus een nadeel van € 8,7 miljoen. In latere jaren loopt de opschalingskorting nog verder op. Het college maakt bewust geen keuze voor de oplossing van dit knelpunt. Dat laten wij aan het nieuwe college.

5.1.2 Financiële kengetallen

De Programmabegroting 2017 bevatte in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing een overzicht van de financiële kengetallen. In dit overzicht leek met name de schuldratio enorm toe te nemen ten opzichte van de VNG-signaleringswaarde van 130%. In de aanloop naar de Kaderbrief 2018-2021 is de geprognosticeerde balans kritisch bekeken. Hierbij werd geconstateerd dat in de berekening van de schuldratio’s een aantal technische zaken ervoor zorgden dat de schuldratio een te pessimistisch beeld gaf. Daarnaast was bij de berekening geen rekening gehouden met ervaringscijfers over de lagere kasstroom binnen projecten door uitlopende werkzaamheden. Deze correcties zorgen ervoor dat de verwachte schuldratio aanzienlijk lager uitvalt dan eerder werd verwacht.

 

2016

2017

2018

2019

2020

Netto schuldquote (Programmabegroting 2017)

94%

123%

143%

161%

159%

Netto schuldquote (Jaarstukken 2016)

52%

 

 

 

 

Aangepaste prognose 2017-2020

 

100%

119%

137%

129%

De VNG normeert een schuldquote onder 100% als ‘groen’, een quote tussen 100% en 130% als ‘oranje’, en een schuldquote hoger dan 130% als ‘rood’. Naar verwachting komt de schuldratio in 2019 eenmalig boven deze grens. De schuldratio is echter slechts één element van de financiële positie. De kengetallen moeten als geheel worden beschouwd. Hieruit blijkt dat de gemeente Leiden voor het investeringsprogramma weliswaar forse schulden aangaat, maar dat het structurele evenwicht en weerstandsvermogen zich goed verhouden tot de normen. De ontwikkeling van de schuldratio is de enige indicator waarop de gemeente in het ‘rood’ gaat. Hieruit spreken risico’s voor de flexibiliteit van de begroting (= mogelijkheid om structureel bij te sturen neemt af als een groter deel ‘vastligt’ in kapitaallasten) en een renterisico (= risico van hogere rente bij herfinanciering). Tegenover deze risico's voor de flexibiliteit staan een structureel begrotingsevenwicht en een woonlastenniveau dat rond het landelijk gemiddelde ligt. Dit biedt weer een goede uitgangspositie om structureel bij te sturen, waarbij de buffers van de gemeente (weerstandsvermogen = “uitstekend”) voldoende ruimte bieden om incidentele tegenvallers op te vangen. Tegenover het renterisico staat een behoudend rentebeleid. Hoewel de rente op dit moment historisch laag is, wordt in de meerjarenraming op voorhand al rekening gehouden met een rentestijging voor de nieuw aan te trekken leningen tot 3,5%. Hiermee leidt een rentestijging niet meteen tot een structurele tegenvaller.

De verwachte stijging van de schuldratio past bij het ambitieniveau van raad en college om in de stad te investeren. Op grond van de huidige verwachtingen zal de signaleringswaarde van 130% in het huidige meerjarenbeeld eenmalig worden overschreden. Daarnaast staat een behoudend beleid ten aanzien van het weerstandsvermogen (meerjarig € 30 miljoen), een structureel sluitende begroting en een behoudend rentebeleid.

Hiermee geeft de financiële positie van de gemeente op dit moment geen aanleiding om het ambitieniveau van raad en college te beperken.